Datum Goedkeuring: 2008-08-08, Verantwoording: Landelijke Stuurgroep/Trimbos-instituut, Versie: 1.0
Het uitblijven van succes van psychotherapie bij psychose en de opkomst van de biologische psychiatrie hebben geleid tot een verdwijnen van psychotherapeutische inspanningen vanaf het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw. De psychotherapie maakte plaats voor psycho-educatie en vaardigheidstraining. Vanaf het midden van de jaren negentig ontstond een hernieuwde belangstelling om lijden en houding ten opzichte van de aandoening gesprekstherapeutisch te gaan benaderen, ditmaal met een cognitief-gedragstherapeutische achtergrond. In de komende paragrafen worden de verschillende vormen van psychotherapie beoordeeld en met elkaar vergeleken om uit te maken of er een effectieve psychotherapie bij schizofrenie voorhanden is.
Achtereenvolgens zullen de volgende vragen beantwoord worden:
- Wat is het effect van cognitieve gedragstherapie?
- Wat is het effect van counseling en steunende psychotherapie?
- Wat is het effect van psychodynamische psychotherapie/psychoanalyse?
- Wat is het effect van copingstrategieën bij auditieve hallucinaties?
Als effecten worden hier voornamelijk beschouwd de afname van psychopathologie, vermindering van psychotische terugval en een verbeterd sociaal-maatschappelijk functioneren.
Het effect van cognitieve gedragstherapie in vergelijking met andere psychologische behandelingen en met standaardzorg
Medicatie leidt niet bij alle patiënten tot een afdoende reductie van hallucinaties (stemmen). Cognitieve gedragstherapie (CGT) wordt dan vaak als een toegevoegde gesprekstherapie ingezet. CGT richt zich op de emotionele gevolgen van gedachten over de primair psychotische fenomenen zoals stemmen en probeert een welwillende onverschilligheid te bewerkstelligen. Bij achterdocht gaat het om het inperken van het aantal personen en situaties dat achterdochtige gedachten ontlokt.
De doelgroep van cognitieve gedragstherapie
Cognitieve gedragstherapie voor patiënten met persisterende symptomen
In een cohortonderzoek verminderde CGT de symptomen bij patiënten met persisterende symptomen, gemeten aan het eind van de behandeling (BPRS/CPRS-totaalscores; N = 182; SMD = -0,56; 95%-BI -0,85- -0,26) en 9 maanden na het eind van de behandeling (20% reductie bij BPRS; N = 60; RR = 0,53; 95%-BI 0,35-0,81; NNT = 3; 95%-BI 2-6).
Cognitieve gedragstherapie voor patiënten in de acute fase
CGT verminderde de symptomen in de acute fase vergeleken met andere behandelingen na 6 maanden (BPRS; N = 62; RR = 0,74; 95%-BI 0,56-0,97; NNT = 5; 95%-BI 3-25), maar niet aan het einde van de behandeling (BPRS/PANSS-totaalscores; N = 129; SMD = -0,01; 95%-BI -0,35-0,34) of bij follow-up na het eind van de behandeling (BPRS/PANSS-totaalscores; N = 138; SMD = -0,14; 95%-BI -0,48-0,19).
Therapieduur
Er is beperkt bewijs dat CGT van 6 maanden of langer in duur en minimaal 10 sessies vergeleken met andere behandelingen, leidt tot verbeterde psychopathologie (BPRS/CPRS-totaalscores bij follow-up na het eind van de behandeling; N = 137; SMD = -0,59; 95%-BI -0,93- -0,25). Er is onvoldoende bewijs dat CGT van minder dan 10 sessies of korter dan 3 maanden in duur de psychopathologie verbetert vergeleken met standaardzorg (BPRS/PANSS-totaalscores; N = 195; SMD = -0,26; 95%-BI -0,55- 0,03). Er is sterk bewijs dat patiënten met schizofrenie die met CGT behandeld worden in minder dan 10 sessies of korter dan 3 maanden bescheiden verbeteringen laten zien in depressieve symptomen (Montgomery-Åsberg Depression Rating Scale (MADRS): N = 422; WMD = -1.19; 95%-BI -1,89- -0,49), maar niet in psychotische symptomen (Schizophrenia Change Scale: N = 422; SMD = 0,12; 95%-BI -0,32-0,08).
Samenvatting
Pilling e.a. (563 ) vinden CGT effectief bij het verbeteren van de psychische gesteldheid op maten van ‘important improvement', zowel aan het eind van de behandeling als bij de follow-up. Ook vinden zij dat CGT leidt tot minder drop-outs dan standaardzorg. Aangezien standaardzorg minder intrusief is en dus waarschijnlijk goed te tolereren constateren zij dat dit gunstig is voor CGT. De resultaten van de eerste trials worden door deze onderzoekers, ondanks de kleine aantallen, veelbelovend genoemd. De onderzoeken hebben, in vergelijking met de meeste trials bij antipsychotische medicatie, redelijk goede follow-updata over lange perioden. De positieve resultaten van de meta-analyse kunnen daarom beschouwd worden als een bevestiging van de belofte van CGT bij de behandeling van schizofrenie.
De auteurs van de Cochrane-analyse (138 ) concluderen dat CGT een potentieel effectieve interventie is bij de behandeling van psychoses, maar op dit moment nog onvoldoende onderzocht. De resultaten zijn volgens de auteurs beloftevol, ondanks de geringe aantallen behandelde patiënten en bieden, in tegenstelling tot veel trials met antipsychotische medicatie, goede follow-updata over lange perioden.
NICE (519 ) concludeert dat er goede bewijzen zijn dat CGT symptomen bij mensen met schizofrenie effectiever vermindert tot ongeveer 1 jaar na het eind van de behandeling in vergelijking met standaardzorg en andere behandelingen. Het effect van CGT is volgens deze groep sterker bij de behandeling van persisterende symptomen dan in de acute fase. De effectiviteit van CGT in de acute fase van een eerste episode is niet duidelijk aangetoond. CGT kan inzicht en medicatietrouw bevorderen en heeft mogelijk een gunstig effect op het sociaal functioneren. De voordelen van CGT worden het duidelijkst merkbaar als de behandeling langer dan 6 maanden duurt en minimaal 10 sessies omvat. Als CGT langer dan 3 maanden duurt, is het waarschijnlijker dat de terugval verminderd wordt in vergelijking met andere therapie. Kortdurende CGT kan beperkte verbetering opleveren in depressieve symptomen, maar heeft geen invloed op psychotische symptomen.
Het effect van counseling/steunende psychotherapie
Counseling/steunende psychotherapie is een aparte interventie die gekenmerkt wordt door een nadruk op een non-directieve houding gericht op de therapeutische relatie waarbij de inhoud van de sessies voornamelijk door de cliënt wordt bepaald.
Samenvatting
De NICE-richtlijn komt op basis van deze wetenschappelijke gegevens tot de conclusie dat counseling/steunende psychotherapie niet moeten worden aanbevolen als interventie in de zorg voor mensen met schizofrenie, daar waar andere interventies met bewezen effectiviteit geïndiceerd en beschikbaar zijn. De NICE-richtlijn stelt echter dat met de voorkeur van de cliënt rekening gehouden moet worden, vooral daar waar de meer effectieve interventies lokaal (nog) niet beschikbaar zijn.
Het effect van psychodynamische psychotherapie en psychoanalyse
Psychoanalyse is geen volledig geïntegreerd en consistent denkmodel. De concepten zijn niet scherp gedefinieerd en, afhankelijk van de tijd en de auteurs, is de betekenis wisselend. Tegenwoordig wordt psychoanalyse beschouwd als een methode die emotionerende gebeurtenissen uit het verleden bespreekt en de rol voor het huidige functioneren beschouwt. Dit wordt gedaan om conflicten en mechanismen te ontdekken die verondersteld worden ten grondslag te liggen aan de psychopathologie. De methode gebruikt vrije associatie, droomrapportage en droominterpretatie, en de interpretatie van overdracht en weerstand. De effectiviteit van psychoanalyse bij psychose is omstreden, maar er zijn voor deze groep patiënten aanpassingen met meer steunelementen en directieve elementen ontwikkeld.
Samenvatting
De conclusie van de Cochrane-reviewers was dat medicatie effectiever is dan psychoanalyse als hulp om het ziekenhuis te kunnen verlaten. De groep vond geen enkele indicatie voor een positief effect van psychoanalyse.
In de NICE-richtlijn werd de conclusie getrokken dat er onvoldoende bewijs was dat psychoanalyse of psychodynamische behandeling vergeleken met antipsychotische medicatie de uitkomst van zorg op enigerlei wijze gunstig(er) kan beïnvloeden.
De effecten van copingstrategieën bij hallucinaties
Auditieve hallucinaties zijn blijvende symptomen bij 30-50% van de mensen met schizofrenie. Als behandeling met medicijnen niet helpt, dan zal de patiënt toch op de een of andere manier moeten leren omgaan met deze blijvende en hinderlijke symptomen. Naast cognitieve gedragstherapie zijn er ook meer op gedragsverandering of het hanteren van emoties gerichte strategieën, die bekend staan als copingstrategieën.
Samenvatting
Psychoanalyse, psychodynamische therapieën, counseling en steunende psychotherapie zijn niet effectief, of minder effectief dan cognitieve gedragstherapie. Dit is geen unieke bevinding. Vergelijkbare uitkomsten vinden we bij andere stoornissen, zoals angst, depressie, hypochondrie, sociale fobie. Ook copingstrategieën die zich richten op het terugdringen van de symptomen, zijn niet effectief.
Cognitieve gedragstherapie, bijvoorbeeld gericht op het veranderen van de angstaanjagende opvattingen over stemmen, bereikt daarentegen wel resultaten. Een welwillende onverschilligheid en soms afstandelijke interesse in de eigen psychische fenomenen (stemmen, gedachten, beelden, opvattingen) scheppen relativering en gemoedsrust. Vooral deze ontspanning lijkt angst als aandrijving te ontkoppelen van het vliegwiel van de psychose. Cognitieve gedragstherapie, nog maar kort geleden geïntroduceerd, kan nu al bogen op een serie onderzoeken die keer op keer kleine tot middelmatige effecten laten zien. Verder onderzoek naar effectiviteit en doelmatigheid is echter gewenst, maar op dit moment dient cognitieve gedragstherapie niet onthouden te worden aan patiënten met blijvende symptomen.
Het effect van cognitieve gedragstherapie in vergelijking met andere psychologische behandelingen en met standaardzorg
De werkgroep is uitgegaan van twee recente systematische reviews en de meest recente multidisciplinaire NICE-richtlijn uit Engeland en Wales (519 ). Er is een meta-analyse gepubliceerd van 13 trials (85 376 154 181 182 183 233 391 392 287 320 321 366 ) door de Cochrane Library (138 ). Pilling e.a. (563 ) hebben een recentere meta-analyse van 8 trials verricht, met deels dezelfde trials als in de Cochrane meta-analyse en met 2 andere (368 407 ). In de NICE-richtlijn zijn 13 onderzoeken opgenomen, waarvan er 10 overeenkomen met de Cochrane-review en 7 met de meta-analyse van Pilling e.a.. Er zijn 3 trials (425 567 622 ) toegevoegd.
Onderstaand volgt het overzicht en de weging van het bewijs voor cognitieve gedragstherapie voor 'symptoomverbetering', ‘ontslag uit het ziekenhuis', sociaal functioneren', ‘medicatietrouw', ‘ziekte-inzicht', ‘therapietrouw en uitval', en ‘psychotische terugval'.
Symptomen
Uit de Cochrane-review blijkt dat CGT vergeleken met standaardzorg tot een verbetering leidt op de beoordeling van de symptomatologiemaat ‘no important improvement' na 13 en 26 weken (2 RCT's; N = 123; NNT = 4; 95%-BI 2-8). Na 1 jaar is het verschil niet langer significant (3 RCT's; N = 211; RR = 0,95, 95%-BI 0,6 tot 1.5).
Bij de Pilling- en de NICE-meta-analyse blijkt dat cognitieve gedragstherapie vergeleken met andere behandelingen verbetering geeft op de symptomatologiemaat ‘no important improvement in mental state' aan het eind van de behandeling (4 RCT's; N = 273; random-effects-OR = 0,28; 95%-BI 0,15-0,51; NNT = 5; 95%-BI 4-9; en op ‘no important improvement' (= 40% reductie op de Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS) of een 50% reductie op de BPRS-positieve symptomen); N = 121; RR = 0,78; 95%-BI 0,66-0,92; NNT = 5; 95%-BI 4-13); en bij de follow-up 9 tot 18 maanden na het eind van de behandeling (2 RCT's; N = 119; random-effects-OR = 0,27; 95%-BI 0,05-1,43; NNT = 6; 95%-BI 3-27).
Op intervalmaten zoals de BPRS en de Comprehensive Psychopathology Rating Scale (CPRS) geven de data van de Cochrane-review geen uitsluitsel. Bij specifieke symptomen is er wel bewijs dat hallucinaties afnemen op de lange termijn (1 RCT; N = 62; NNT = 3; 95%-BI 2-9).
Bij Pilling-meta-analyse is gevonden dat CGT vergeleken met andere behandelingen op intervalschalen (CPRS en BPRS) geen groter effect geeft aan het eind van de behandeling (2 RCT's; N = 126; random-effects-OR = -1,25; 95%-BI -4,29- -1,8); maar wel 9 tot 18 maanden na het eind van de behandeling (2 RCT's; N = 126; random-effects-OR = -0,52; 95%-BI -0,94- -0,11).
In de NICE-meta-analyse - met de meeste patiënten - is gevonden dat CGT vergeleken met standaardzorg aan het eind van de behandeling de psychopathologie meer verbetert (totaalscores van de BPRS, de CPRS en de PANNS (Positive and Negative Symptom Scale); N = 580; SMD = -.0,1; 95%-BI -.0,8- -0,04) en na 9 tot 12 maanden na het eind van de behandeling (20% reductie van BPRS-positieve symptomen; N = 121; RR = 0,68; 95%-BI 0,52- 0,88).
Ook in vergelijking met andere behandelingen is er bewijs dat CGT de symptomen vermindert aan het eind van de behandeling (50% reductie op de BPRS-positieve symptomen; N = 121; RR = 0,76; 95%-BI 0,62-0,93; NNT = 5; 95%-BI 3-15) en na 9 tot 12 maanden na het einde van de behandeling (50% reductie op de CPRS/50% reductie op de BPRS-positieve symptomen; N = 149; RR = 0,79; 95%-BI 0,63-1,00).
Ontslag uit het ziekenhuis
Uit een gerandomiseerd onderzoek met 62 personen werd geconcludeerd dat CGT vergeleken met standaardzorg leidde tot een sneller ontslag uit het ziekenhuis (1 RCT ; N = 62 ; NNT = 3 ; 95%-BI 2-12).
Sociaal functioneren
CGT leidde in 1 RCT (N = 48) vergeleken met standaardzorg tot een beter psychisch en sociaal functioneren zoals gemeten met de GAF (Global Assessment of Functioning Scale) op korte, middellange en lange termijn (1 RCT; N = 48; WMD = 14,5; 95%-BI 5,2-23,8). Op lange termijn ging het om patiënten met lichte symptomen en adequaat sociaal functioneren in de CGT-groep. De standaardzorggroep kenmerkte zich door ernstige pathologie en beperkingen in het functioneren waarvan de meeste hulpverleners denken dat behandeling of aandacht noodzakelijk is. Cognitieve gedragstherapie leidde ook tot een meer verbeterd sociaal functioneren vergeleken met alle andere vormen van zorg aan het eind van de behandeling (Role Functioning Scale; N = 15; WMD = -4,85; 95%-BI -7,31- -2,39).
Medicatietrouw
CGT verbetert medicatietrouw vergeleken met andere behandelingen aan het eind van de behandeling (Drugs Attitude Interview; N = 74; WMD = -6,3; 95%-BI -9,67- -2,93), ook in vergelijking met andere behandelingen, 12 maanden na het eind van de behandeling (Drugs Attitude Interview; N = 44; WMD = -4,9; 95%-BI -9,38- -0,42).
Ziekte-inzicht
CGT verbetert het inzicht vergeleken met andere behandelingen aan het eind van de behandeling (Expanded Schedule for Assessment of Insight; N = 74; WMD = -22,4; 95%-BI -35,12- -9,68; en Insight Rating Scale; N = 422; WMD = -1,33; 95%-BI -1,95- -0,71); 12 maanden na het eind van de behandeling (Expanded Schedule for Assessment of Insight; N = 50; WMD = -106,00; 95%-BI -124,42- -87,58) en 5 jaar na het eind van de behandeling (Self-report Insight Scale; N = 31; WMD = -1,18; 95%-BI -3.21- -0,39).
Uitval uit de zorg en acceptatie
Uit een RCT werd geconcludeerd dat de combinatie van CGT met psycho-educatie vergeleken met standaardzorg leidt tot minder uitval (1 RCT; N = 151; NNT = 7; 95%-BI 4-25). En uit een tweetal andere vergelijkende onderzoeken bleek dat CGT vergeleken met standaardzorg leidt tot minder drop-out uit de zorg (2 RCT's, N = 149; random-effects-OR = 0,38; 95%-BI 0,14-1,04; NNT = 5; 95%-BI 4-15). Gebaseerd op het aantal mensen dat het onderzoek voortijdig verlaat, kan niet worden geconcludeerd dat CGT minder of juist béter geaccepteerd wordt dan standaardzorg aan het eind van de behandeling (N = 543; random-effects-RR = 0,93; 95%-BI 0,32-2,71) of bij de follow-up na het eind van de behandeling (N = 364; random-effects-RR = 1,37; 95%-BI 0,18-10,38). Bij psychotische patiënten in hun eerste episode wordt cognitieve therapie volgens een onderzoek bij 203 patiënten wel beter geaccepteerd dan standaardzorg (‘leaving the study early by 5 weeks follow-up'; N = 203; RR = 0,55; 95%-BI 0,36-0,85; NNT = 7; 95%-BI 4-25).
Psychotische terugval
CGT met standaardzorg leidt vergeleken met standaardzorg niet tot een afname van heropname in het ziekenhuis op middellange termijn (1 RCT; N = 61; RR = 0,1; 95%-BI 0,01-1,7) of op lange termijn (2 RCT's; N = 123; RR = 1,1; 95%-BI 0,8-1,5). Ook in vergelijking met alle andere behandelingen leidt CGT niet tot een kleinere kans op heropname in het ziekenhuis of een uitstellen van een psychotische terugval (6 RCT; N = 363; RR = 0,69; 95%-BI 0,44-1,1; NNT = 17). CGT kan vergeleken met standaardzorg tijdens de behandeling de terugval niet beter verminderen (N = 121; RR = 0,88; 95%-BI 0,46-1,66); ook niet 12 maanden na het eind van de behandeling (N = 61; RR = 1,51; 95%-BI 0,79-2,87) of na 1-2 jaar (N = 154; RR = 0,82; 95%-BI 0,60-1,13).
Er wel bewijs dat behandeling die langer dan 3 maanden duurt, het terugvalpercentage meer vermindert in vergelijking met kortdurende behandelingen (N = 177; RR = 0,72; 95%-BI 0,52-0,99; NNT = 7; 95%-BI 4-100).
Het effect van counseling/steunende psychotherapie
De NICE-richtlijn (519 ) bevat hierover 15 trials (175 188 203 288 312 320 321 366 425 430 452 622 646 668 695 ) met 1143 deelnemers. Deze trials zijn gepubliceerd in de periode 1973 tot 2002.
Counseling/steunende psychotherapie vergeleken met standaardzorg
In vergelijkende onderzoeken van counseling/steunende psychotherapie versus standaardzorg, leidt counseling/steunende psychotherapie niet tot minder terugval aan het eind van de behandeling (N = 54; RR = 0,86; 95%-BI 0,26-2,86) of in de follow-up (N = 54; RR = 1,08; 95%-BI 0,51-2,29). Counseling of steunende psychotherapie leidde in vergelijking met standaardzorg in een onderzoek met 123 personen mogelijk wel tot een verbeterde psychiatrische toestand aan het eind van de behandeling (PANSS; N = 123; WMD = -2,90; 95%-BI -10,01- 4,21) en in de follow-up (PANSS; N = 123, WMD = -4,42; 95%-BI -10,13-1,29), maar in een ander onderzoek met minder personen (N = 54) aan het einde van de behandeling niet (‘no important improvement': 50%-verbetering op de BPRS psychotische symptomen; N = 54; RR = 0,95, 95%-BI 0,77-1,17). Counseling/steunende psychotherapie leidt in vergelijking met standaardzorg niet tot een groter aantal doden bij de follow-up (N = 208; RR = 2,89; 95%-BI 0,12-70,09).
Twee onderzoeken hebben tegenstrijdige resultaten betreffende acceptatiegraad en drop-outratio tussen counseling/steunende psychotherapie enerzijds en standaardzorg anderzijds aan het eind van de behandeling (N = 54; RR = 4,31; 95%-BI 0,51-26,08) en bij de follow-up (N = 262; RR = 0,88, 95%-BI 0,63-1,25).
Counseling/steunende psychotherapie vergeleken met andere psychologische behandelingen
Er is onvoldoende bewijs dat counseling/steunende psychotherapie in vergelijking met andere psychologische interventies tot minder terugval leidt aan het eind van de behandeling (N = 361; random-effects-RR = 1,33; 95%-BI 0,80-2,21) en bij de follow-up (N = 154; RR = 1,21; 95%-BI 0,89-1,66). Er is echter wel bewijs dat counseling/steunende psychotherapie in vergelijking met andere psychologische interventies niet leidt tot verbetering van de psychiatrische toestand aan het eind van de behandeling (BPRS/PANSS/CPRS; N = 316; SMD = 0,02; 95%-BI -0,20-0,24) en bij de follow-up (BPRS/PANSS/CPRS; N = 284; SMD = 0,20; 95%-BI -0,03-0,44). Counseling/steunende psychotherapie leidt in vergelijking met andere psychologische interventies niet tot een klinisch significante afname van symptomen aan het eind van de behandeling (‘no important improvement'; 50% verbetering op de BPRS-psychotische symptomen; N = 59; RR = 1,27; 95%-BI 0,95-1,70) en bij de follow-up (‘no important improvement': 50% verbetering op de CPRS-psychotische symptomen; N = 90; RR = 1,66; 95%-BI 1,06-2,59). Er is geen consistent bewijs dat counseling/steunende psychotherapie in vergelijking met andere psychologische interventies minder acceptabel is en meer drop-outs heeft aan het eind van de behandeling (N = 708; RR = 0,85; 95%-BI 0,65-1,10) en bij de follow-up (N = 352; RR = 1,30; 95%-BI 0,93-1,82). Vergeleken met andere psychologische interventies leidt counseling/steunende psychotherapie niet tot minder of meer doden in de follow-up (N = 281; RR = 2,86; 95%-BI 0,12-69,40)
Het effect van psychodynamische psychotherapie en psychoanalyse
De zoekstrategie beperkte zich tot de systematische review van de Cochrane Library (450 ) en de NICE-richtlijn (519 ). De meta-analyse van de Cochrane Library bevat 3 onderzoeken die voldeden aan de inclusiecriteria Gunderson (100 171 224 280 281 463 514 646 ), May (464 465 466 467 693 691 692 ), O'Brien (498 534 ). De meta-analyse van de NICE-richtlijn dezelfde 3 onderzoeken. Er zijn na 1984 geen nieuwe relevante studies gepubliceerd.
Er zijn aanwijzingen uit 2 onderzoeken dat psychoanalyse vergeleken met antipsychotische medicatie patiënten minder in staat stelt om met ontslag te gaan uit het ziekenhuis (N = 92; RR = 8,4; 95%-BI 2-34,3; number needed to harm (NNH) = 3; 95%-BI 2-6; en N = 92; RR = 1,1; 95%-BI 0,2-7,4).
Mogelijk leidt psychoanalyse vergeleken met antipsychotische medicatie tot een als minder ervaren (goede) gezondheid gedurende een periode van 2 jaar (N = 88; MD = -5,8; 95%-BI -9,9- -1,6), maar er is ook een aanwijzing voor ‘geen verschil' in subjectief ervaren gezondheid bij deze 2 behandelingen gedurende een periode van 2 jaar (MD = -0,8; 95%-BI -5,35-3,75). In 1 onderzoek kon niet worden aangetoond dat psychoanalyse vergeleken met standaardzorg de gezondheid meer bevorderde (N = 90; WMD = -0,80; 95%-BI -5,35-3,75).
Het lijkt erop dat psychoanalyse vergeleken met antipsychotische medicatie minder patiënten beoordeelt als ‘succesvol behandeld' (N = 92; RR = 16,4 ; 95%-BI 2,3-118,8 ; NNT = 3 ; 95%-BI 5,7-2,3). Ook hier is echter een aanwijzing voor ‘geen verschil' in het aantal patiënten dat beoordeeld wordt als ‘succesvol behandeld', in een vergelijking tussen psychoanalyse en antipsychotische medicatie (RR = 2,2; 95%-BI 0,2-23,2).
De effecten van copingstrategieën bij hallucinaties
Er is geen meta-analyse over copingstrategieën bij auditieve hallucinaties. Op basis van een literatuuronderzoek in het kader van de ontwikkeling van deze richtlijn, werden 257 referenties met daarbij behorende abstracts gescreend op de inhoud 'coping met hallucinaties'. Dissertaties en boeken die de relatie hallucinaties en coping tot onderwerp hadden zijn daarna van selectie uitgesloten. Uiteindelijk zijn er 31 potentieel interessante artikelen geselecteerd. De samenvattingen van de resterende artikelen werden doorgelezen met de vraag of er sprake zou zijn van een vergelijkend onderzoek waarbij de mate van coping met hallucinaties met ten minste één kwantificerende methodiek was geoperationaliseerd. Vervolgens waren er nog 2 artikelen over. Het eerste artikel (139 ) is een onsystematische review van effectiviteitonderzoeken (de invloed van antipsychotica en gedragsinterventie op vermindering van hallucinaties). Het tweede artikel (279 ) beschrijft een model voor het ontstaan van hallucinaties.
Er wordt wel een verband tussen copinggedrag en hallucinaties verondersteld. Dit literatuuronderzoek laat zien dat er geen systematisch en/of vergelijkend onderzoek verricht is naar de samenhang tussen coping en hallucinaties. Er wordt vooral gespeculeerd over een samenhang en de theorievorming over de veronderstelde samenhang ontstijgt het niveau van modelbouw niet. Bijna alle geëxcludeerde onderzoeken zijn niet-gecontroleerde onderzoeken.