Datum Goedkeuring: 2008-04-23, Verantwoording: Landelijke Stuurgroep/Trimbos-instituut, Versie: 1.0
Dit hoofdstuk geeft informatie over de definitie, prevalentie, etiologie en het beloop van persoonlijkheidsstoornissen. Het beschrijft de huidige stand van zaken en bevat géén aanbevelingen of adviezen van de werkgroep die deze richtlijn heeft opgesteld. Dit hoofdstuk is gebaseerd op de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) (14), de Nationale Monitor Geestelijke Gezondheid (366) en het Handboek Psychiatrische Epidemiologie (316).
Definitie
De DSM-IV-criteria waaraan voldaan moet worden om tot de diagnose persoonlijkheidsstoornis te komen zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 3: DSM-IV-criteria persoonlijkheidsstoornis
|
A Een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk binnen de cultuur van betrokkene afwijken van de verwachtingen. Dit patroon wordt zichtbaar op twee (of meer) van de volgende terreinen:
• cognities (dat wil zeggen de wijze van waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen en gebeurtenissen)
• affecten (dat wil zeggen de draagwijdte, intensiteit, labiliteit en de adequaatheid van de emotionele reacties)
• functioneren in het contact met anderen
• beheersing van de impulsen.
B Het duurzame patroon is star en uit zich op een breed terrein van persoonlijke en sociale situaties.
C Het duurzame patroon veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D Het patroon is stabiel en van lange duur en het begin kan worden teruggevoerd naar ten minste de adolescentie of de vroege volwassenheid.
E Het duurzame patroon is niet eerder toe te schrijven aan een uiting of de consequentie van een andere psychische stoornis.
F Het duurzame patroon is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bv. drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bv. schedeltrauma).
|
In de DSM-IV worden tien verschillende persoonlijkheidsstoornissen onderscheiden, verdeeld over drie clusters. Daarnaast wordt een restcategorie onderscheiden, de persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven (NAO).
De drie clusters onderscheiden zich op de volgende manier:
- In cluster A vallen de stoornissen die zich uiten in vreemd en excentriek gedrag.
- In cluster B vallen de stoornissen die zich uiten in overdreven, emotioneel of onconventioneel gedrag.
- In cluster C vallen de stoornissen die zich uiten in gespannen of angstig gedrag.
Beschrijving van de verschillende persoonlijk-heidsstoornissen
Cluster-A-persoonlijkheidsstoornissen
Patiënten met een cluster-A-persoonlijkheidsstoornis worden vaak getypeerd als vreemd of excentriek. Er is dikwijls sprake van cognitief-perceptuele vervormingen, psychotische symptomen of ongewone overtuigingen en gedragingen. Tot dit cluster behoren de drie onderstaande persoonlijkheidsstoornissen.
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
Het essentiële kenmerk van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis is een diepgaand wantrouwen en achterdocht ten opzichte van anderen, waardoor de motieven van anderen als kwaadwillig worden geïnterpreteerd. De DSM-IV-criteria zijn beschreven in de tabel.
Tabel 4: DSM-IV-criteria paranoïde persoonlijkheidsstoornis
|
A Een diepgaand wantrouwen en achterdocht ten opzichte van anderen waardoor hun beweegredenen worden geïnterpreteerd als kwaadwillig, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:
• vermoedt, zonder gegronde redenen, dat anderen hem of haar uitbuiten, schade berokkenen of bedriegen
• wordt geheel gepreoccupeerd door ongerechtvaardigde twijfels aan de trouw of betrouwbaarheid van vrienden of collega's
• neemt anderen met tegenzin in vertrouwen, op grond van de ongerechtvaardigde vrees dat de informatie op een kwaadaardige manier tegen hem/haar gebruikt zal worden
• zoekt achter onschuldige opmerkingen of gebeurtenissen verborgen -vernederingen en bedreigingen
• is halsstarrig rancuneus, dat wil zeggen vergeeft geen beledigingen, -aangedaan onrecht of kleineringen
• bespeurt kritiek, voor anderen niet duidelijk herkenbaar, op zijn of haar karakter of reputatie en reageert snel met woede of tegenaanval
• is terugkerend achterdochtig, zonder rechtvaardiging, betreffende de trouw van de echtgenoot of partner
B Komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken of een andere psychotische stoornis en is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening.
|
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
De schizoïde persoonlijkheidsstoornis wordt doorgaans gekenmerkt door een gebrek aan interesse in sociale contacten, wat resulteert in verregaande afstandelijkheid in relaties met familie en vrienden. Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis hebben de neiging hun leven alleen te leiden. Verder is sprake van een emotionele kilte bij deze mensen.
In de tabel worden de DSM-IV-criteria voor deze stoornis weergegeven.
Tabe 5l: DSM-IV-criteria schizoïde persoonlijkheidsstoornis
|
A Een diepgaand patroon van afstandelijkheid in sociale relaties en beperkingen in het uiten van emoties in intermenselijke situaties, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:
• heeft noch behoefte aan, noch plezier in hechte relaties, inclusief het tot een gezin of familie behoren
• kiest vrijwel altijd activiteiten die alleen gedaan moeten worden
• heeft weinig of geen belangstelling voor seksuele ervaringen met een ander
• beleeft weinig of geen genoegen aan activiteiten
• heeft geen intieme vrienden of vertrouwelingen buiten eerstegraads-familieleden
• lijkt onverschillig voor lof of kritiek van anderen
• het affect is emotioneel kil, afstandelijk of afgevlakt
B Komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis of een pervasieve ontwikkelingsstoornis, en is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening.
|
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
Deze persoonlijkheidsstoornis uit zich voornamelijk in een patroon van sociale en intermenselijke beperkingen, samengaand met een gevoel van ongemak in intieme relaties, waardoor er een verminderd vermogen bestaat tot het aangaan van intieme relaties. De tabel geeft een overzicht van de DSM-IV-criteria.
Tabel 6: DSM-IV-criteria schizotypische persoonlijkheidsstoornis
|
A Een diepgaand patroon van sociale en intermenselijke beperkingen gekenmerkt door een acuut gevoel van ongemak bij en een verminderd vermogen tot het aangaan van intieme relaties, en ook door cognitieve en perceptuele vervormingen en eigenaardigheden in het gedrag, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
• betrekkingsideeën (met uitzondering van betrekkingswanen)
• eigenaardige overtuigingen of magische denkbeelden, die het gedrag beïnvloeden en die niet in overeenstemming zijn met de eigen subculturele normen (bv. bijgelovigheid, geloof in helderziendheid, telepathie of ‘zesde zintuig'; bij kinderen en adolescenten bizarre fantasieën of preoccupaties)
• ongewone perceptuele waarnemingen, met inbegrip van lichamelijke illusies
• merkwaardige gedachten en spraak (bv. vaag, wijdlopig, metaforisch, met een overmaat aan details, of stereotiep)
• achterdocht of paranoïde ideeën
• inadequaat of ingeperkt affect
• zonderling, excentriek of vreemd gedrag of uiterlijk
• heeft geen intieme vrienden of vertrouwelingen buiten eerstegraadsfamilieleden
• buitensporige sociale angst die niet afneemt in een vertrouwde omgeving en die eerder de neiging heeft samen te gaan met paranoïde angst dan met een negatief oordeel over zichzelf
B Komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie, een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis of een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
|
Cluster-B-persoonlijkheidsstoornissen
Patiënten met een cluster-B-persoonlijkheidsstoornis worden vaak getypeerd als impulsief en/of dramatisch. Meestal is sprake van impulsieve gedragingen en instabiliteit op het gebied van emoties, identiteit en interpersoonlijke relaties. Tot dit cluster behoren de vier volgende persoonlijkheidsstoornissen.
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
Deze persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door antisociaal gedrag en impulsiviteit. Er is vaak sprake van een gebrek aan inlevingsvermogen waardoor de betrokkene, zeker in combinatie met impulsiviteit, vaak in conflictsituaties terechtkomt. De betrokkene liegt vaak en toont niet of nauwelijks berouw of schuldgevoel. De DSM-IV-criteria voor deze stoornis zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 7: DSM-IV-criteria antisociale persoonlijkheidsstoornis
|
A Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen, vanaf het vijftiende jaar aanwezig en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende kenmerken:
• niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn
• oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwendelen ten behoeve van eigen voordeel of plezier
• impulsiviteit of onvermogen ‘vooruit te plannen'
• prikkelbaarheid en agressiviteit, zoals blijkt uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging
• roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen
• constante onverantwoordelijkheid, zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen
• ontbreken van spijtgevoelens, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst, mishandeld of bestolen te hebben
B De leeftijd is ten minste achttien jaar.
C Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend vóór het vijftiende jaar.
D Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie of manische episodes.
|
Borderlinepersoonlijkheidsstoornis
De borderlinepersoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door een combinatie van emotionele instabiliteit, impulsieve gedragingen en interpersoonlijke problemen en identiteitsproblemen. De DSM-IV-criteria staan in de tabel.
Tabel 8: DSM-IV-criteria borderlinepersoonlijkheidsstoornis
|
Een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
- krampachtig proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in de steek gelaten te worden. Het suïcidale of automutilerende gedrag, aangegeven in het vijfde criterium, wordt hier niet toe gerekend
- een patroon van instabiele en intense intermenselijke relaties gekenmerkt door wisselingen tussen overmatig idealiseren en kleineren
- identiteitsstoornis: duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel
- impulsiviteit op ten minste twee gebieden die in potentie betrokkene zelf kunnen schaden (bv. geld verkwisten, seks, misbruik van middelen, roekeloos autorijden, vreetbuien). Het suïcidale of automutilerende gedrag, aangegeven in het vijfde criterium, wordt hier niet toe gerekend
- recidiverende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen, of automutilatie
- affectlabiliteit als gevolg van duidelijke reactiviteit van de stemming (bv. periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst, meestal enkele uren durend en slechts zelden langer dan een paar dagen)
- chronisch gevoel van leegte
- inadequate, intense woede of moeite kwaadheid te beheersen (bv. frequente driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen)
- voorbijgaande, aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve verschijnselen
|
Theatrale persoonlijkheidsstoornis
Bij de theatrale persoonlijkheidsstoornis is er sprake van overdreven emotionele expressie en zoeken naar aandacht. Als betrokkenen naar hun oordeel te weinig aandacht krijgen kunnen ze onzeker, kwaad of depressief worden. Het naar aandacht zoeken gaat vaak gepaard met ongepast flirtgedrag en het maken van seksuele avances. De emotionele uitingen zijn vaak overdreven en sterker dan in de betreffende situatie wordt verwacht. De DSM-IV-criteria voor de diagnose theatrale persoonlijkheidsstoornis zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 9: DSM-IV-criteria theatrale persoonlijkheidsstoornis
|
Een diepgaand patroon van buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
- voelt zich niet op zijn gemak in situaties waarin hij niet in het centrum van de belangstelling staat
- de interactie met anderen wordt vaak gekenmerkt door ongepast seksueel verleidelijk of uitdagend gedrag
- toont snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen
- maakt voortdurend gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht op zichzelf te vestigen
- heeft een manier van spreken die uitermate impressionistisch is en waarbij details ontbreken
- toont zelfdramatiserende, theatrale en overdreven uitingen van emoties
- is suggestibel, dat wil zeggen gemakkelijk beïnvloedbaar door anderen of de omstandigheden
- beschouwt relaties als meer intiem dan deze in werkelijkheid zijn
|
Narcistische persoonlijkheidsstoornis
Kenmerken van deze persoonlijkheidsstoornis zijn een overdreven gevoel van eigenwaarde en de sterke behoefte om door anderen bewonderd te worden. Verder kan de betrokkene zich moeilijk inleven in anderen. De DSM-IV-criteria zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 10 : DSM-IV-criteria narcistische persoonlijkheidsstoornis
|
Een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
- heeft een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid (bv. overdrijft eigen prestaties en talenten, verwacht als superieur erkend te worden zonder de erbij horende prestaties)
- is gepreoccupeerd met fantasieën over onbeperkte successen, macht, genialiteit, schoonheid of ideale liefde
- gelooft dat hij ‘heel speciaal' en uniek is en alleen begrepen kan worden door, of hoort om te gaan met, andere heel speciale mensen (of instellingen) met een hoge status
- verlangt buitensporige bewondering
- heeft een gevoel bijzondere rechten te hebben, dat wil zeggen onredelijke verwachting van een uitzonderlijk welwillende behandeling of een automatisch meegaan met zijn verwachtingen
- exploiteert anderen, dat wil zeggen maakt misbruik van anderen om zijn eigen doeleinden te bereiken
- heeft gebrek aan empathie: is niet bereid de gevoelens en behoeften van anderen te erkennen of zich ermee te vereenzelvigen
- is vaak afgunstig of meent dat anderen op hem afgunstig zijn
- is arrogant of toont hooghartig gedrag of hooghartige houdingen
|
Cluster-C-persoonlijkheidsstoornissen
De belangrijkste kenmerken van patiënten met een cluster-C-persoonlijkheidsstoornis zijn angst en kwetsbaarheid. Deze komen bij de drie persoonlijkheidsstoornissen die tot dit cluster behoren op een verschillende manier tot uiting. Tot dit cluster behoren de drie volgende persoonlijkheidsstoornissen.
Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
Deze patiënten gaan, hoewel ze er wel degelijk behoefte aan hebben, sociale contacten uit de weg uit angst voor afwijzing. Hierdoor maken ze een erg verlegen en geremde indruk en zijn zij bang ‘er niet bij te horen'. Verder kunnen ze zich schamen voor innerlijke en/of uiterlijke tekortkomingen, die in hun beleving sterk uitvergroot zijn. De DSM-IV-criteria voor deze stoornis zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 11: DSM-IV-criteria ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
|
Een diepgaand patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:
- vermijdt beroepsmatige activiteiten die belangrijke intermenselijke contacten met zich meebrengen vanwege de vrees voor kritiek, afkeuring of afwijzing
- heeft onwil om bij mensen betrokken te raken, tenzij er zekerheid bestaat dat men hem aardig vindt
- toont gereserveerdheid binnen intieme relaties uit vrees vernederd of uitgelachen te worden
- is gepreoccupeerd met de gedachte in sociale situaties bekritiseerd of afgewezen te worden
- is in nieuwe intermenselijke situaties geremd vanwege het gevoel tekort te schieten
- ziet zichzelf als sociaal onbeholpen en voor anderen onaantrekkelijk of minderwaardig
- is uitzonderlijk onwillig persoonlijke risico's te nemen of betrokken te raken bij nieuwe activiteiten omdat deze hem in verlegenheid zouden kunnen brengen
|
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
Patiënten met deze persoonlijkheidsstoornis zien zichzelf vaak als hulpeloos en hebben een laag gevoel van eigenwaarde. Ze vertonen een overmatige afhankelijkheid van anderen en zien ingrijpen van deze anderen dan ook vaak als de oplossing van hun probleem. Ze doen ook enorm hun best om het anderen naar hun zin te maken. De DSM-IV-criteria waar patiënten voor de diagnose van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis aan moeten voldoen zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 12: DSM-IV-criteria afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
|
Een diepgaande en buitensporige behoefte verzorgd te worden, wat leidt tot onderworpen en vastklampend gedrag, en de angst in de steek gelaten te worden, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
- kan moeilijk alledaagse beslissingen nemen zonder overdreven veel advies en geruststelling door anderen
- heeft anderen nodig die de verantwoordelijkheid overnemen voor de meeste belangrijke gebieden van zijn leven
- vindt het moeilijk een verschil van mening tegen anderen te uiten uit vrees steun of goedkeuring te verliezen. De realistische vrees voor straf wordt hier niet toe gerekend
- heeft moeilijkheden ergens alleen aan te beginnen of dingen alleen te doen (eerder als gevolg van een gebrek aan zelfvertrouwen in eigen oordeel of mogelijkheden dan uit gebrek aan motivatie of energie)
- gaat tot het uiterste om verzorging en steun van anderen te krijgen, kan zelfs aanbieden vrijwillig dingen te doen die onplezierig zijn
- voelt zich onbehaaglijk of hulpeloos wanneer hij alleen is, vanwege de overmatige vrees niet in staat te zijn voor zichzelf te zorgen
- zoekt hardnekkig naar een andere relatie als een bron van verzorging en steun als een intieme relatie tot een einde komt
- is op een onrealistische wijze gepreoccupeerd met de vrees aan zichzelf te worden overgelaten
|
Obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis
Patiënten met deze stoornis, ook wel dwangmatige persoonlijkheidsstoornis genoemd, zijn zeer perfectionistisch en ordelijk ingesteld. Handelingen en opvattingen worden vaak als volledig goed of volledig fout gezien. Ze zijn doorgaans weinig flexibel en niet geneigd tot zelfkritiek. De DSM-IV-criteria voor deze persoonlijkheidsstoornis zijn weergegeven in de tabel.
Tabel 13: DSM-IV-criteria obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis
|
Een diepgaand patroon van preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme, beheersing van psychische en intermenselijke processen, ten koste van soepelheid, openheid en efficiëntie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:
- is gepreoccupeerd met details, regels, lijsten, ordening, organisatie of schema's, wat zo ver gaat dat het eigenlijke doel uit het oog verloren wordt
- toont een perfectionisme dat het afmaken van een taak bemoeilijkt (bv. onvermogen iets af te maken omdat het niet aan de eigen overtrokken eisen voldoet)
- is overmatig toegewijd aan werk en productiviteit met uitsluiting van ontspannende bezigheden en vriendschappen (niet te verklaren door een duidelijke economische noodzaak)
- is overdreven gewetensvol, scrupuleus en star betreffende zaken van moraliteit, ethiek of normen (niet te verklaren vanuit culturele of godsdienstige achtergrond)
- is niet in staat versleten of waardeloze voorwerpen weg te gooien, zelfs als ze geen gevoelswaarde hebben
- is er afkerig van taken te delegeren of om met anderen samen te werken, tenzij dezen zich geheel onderwerpen aan zijn manier van werken
- heeft zich een stijl van gierigheid eigen gemaakt ten aanzien van zichzelf en anderen; geld wordt gezien als iets dat opgepot moet worden voor toekomstige catastrofes
- toont starheid en koppigheid
|
Persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven
Deze categorie dient voor stoornissen in het persoonlijk functioneren die niet voldoen aan de criteria van een van de specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Een voorbeeld is de aanwezigheid van kenmerken van meer dan één specifieke persoonlijkheidsstoornis, terwijl niet voldaan wordt aan alle criteria van een van deze stoornissen afzonderlijk (‘gemengde persoonlijkheidsstoornis'), terwijl ze met elkaar toch in significante mate lijden veroorzaken of beperkingen in een of meer belangrijke gebieden van functioneren (bv. sociaal of beroepsmatig).
Deze categorie kan tevens gebruikt worden als het oordeel is dat een specifieke persoonlijkheidsstoornis van toepassing is die niet in deze classificatie is opgenomen. Tot de voorbeelden horen de depressieve persoonlijkheidsstoornis en de passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis. Voor beide persoonlijkheidsstoornissen zijn onderzoekscriteria voorgesteld in de DSM-IV.
Epidemiologie van persoonlijkheidsstoornissen
Incidentie
Vooral vanwege de moeilijkheid om het moment waarop een persoonlijkheidsstoornis voor het eerst optreedt exact te bepalen, is het theoretisch vrijwel onmogelijk de incidentie van dit soort psychische stoornissen te bepalen. In deze richtlijn zal hierover derhalve dan ook geen uitspraak gedaan worden.
Prevalentie
Bij 13,5% van de algemene bevolking, 60,4% van de psychiatrische patiënten en bij 56,5% van de behandelde verslaafden kan minimaal één persoonlijkheidsstoornis worden gediagnosticeerd. Cluster-C-persoonlijkheidsstoornissen komen in de algemene populatie het meeste voor, op de voet gevolgd door cluster-B-stoornissen. Cluster-A-stoornissen zijn duidelijk het minst prevalent. Een recente studie laat zien dat een van de meest voorkomende persoonlijkheidsstoornissen de persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven is (632).
Veel mensen hebben meer dan één persoonlijkheidsstoornis. In veel gevallen gaat het om het gelijktijdig voorkomen van meerdere stoornissen binnen een en hetzelfde cluster, maar ook stoornissen uit verschillende clusters komen regelmatig samen voor.
In de tabel wordt per stoornis de prevalentie in de algemene populatie aangegeven.
Tabel 14: Samenvatting van prevalenties zoals gerapporteerd in een aantal gepubliceerde onderzoeken (316)
|
Persoonlijkheidsstoornis
|
% normale populatie (mediaan*)
|
|
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
|
0,4-1,8 (1,7)
|
|
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
|
0,4-0,9 (0,7)
|
|
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
|
0-3 (0,7)
|
|
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
|
0,2-3 (2,2)
|
|
Borderlinepersoonlijkheidsstoornis
|
1,1-1,7 (1,7)
|
|
Theatrale persoonlijkheidsstoornis
|
1,3-3 (1,7)
|
|
Narcistische persoonlijkheidsstoornis
|
0-3,9 (0)
|
|
Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
|
1,1-5,2 (1,3)
|
|
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
|
0,4-1,7 (1,5)
|
|
Obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis
|
1,7-2,6 (2,2)
|
* mediaan = de waarde waar 50% van de meetuitkomsten boven, en 50%
van de meetuitkomsten onder ligt.
Etiologie van persoonlijkheidsstoornissen
Omgevingsinvloeden zijn continu in interactie met een zich ontvouwende genetische blauwdruk (Reekum & Schmeets, in druk). De wisselwerking tussen omgeving en genetische opmaak leidt via de expressie van de genen uiteindelijk tot een stabiel, individueel fenotype. Persoonlijkheid kan opgevat worden als een relatief stabiel patroon van persoonlijkheidskenmerken of fenotypen, waarvan een unieke combinatie van deze trekken de kleur van de persoonlijkheid bepalen. De moderne wetenschap is er toenemend van doordrongen dat nature en nurture beide nodig zijn voor de structurele ontwikkeling van het brein, en dus ook voor gedrag en persoonlijkheid. Alhoewel onze kennis over de invloed van de omgeving op genen en vice versa toeneemt, heeft het onderzoek op het gebied van persoonlijkheidsstoornissen de laatste decennia last gehad van de dichotomie in ons denken met betrekking tot de rol van genen versus omgevingsfactoren op het ontstaan van psychopathologie. Lag vóór de jaren negentig van de vorige eeuw de nadruk vrijwel exclusief op het belang van omgevingsfactoren voor de ontstaanswijze van persoonlijkheidsstoornissen, de laatste tien jaar werd een te eenzijdige nadruk gelegd op de genetische basis van de verschillende persoonlijkheidstypen en werd vaak verzuimd de invloed van het genoom op het gedrag als bidirectioneel (245) te zien.
Steeds duidelijker wordt dat nature en nurture niet elkaar uitsluitende categorieën zijn, maar dat nature tot expressie komt door de invloed van nurture. En dat anderzijds de ervaring haar invloed kan uitoefenen door de enorme veelzijdigheid van de genencomplexen. We weten inmiddels dat er bij de ontwikkeling van psychiatrische stoornissen, en zeker ook van de persoonlijkheidsstoornissen, meerdere genen, maar ook meerdere omgevingsinvloeden betrokken zijn. Psychiatrische aandoeningen zijn polygenetisch en multifactorieel en vormen in de meeste gevallen een extreme variant binnen een continuüm. Bovendien zijn de genetische effecten op gedrag probabilistisch en niet deterministisch (513). Er is dus niet één gen voor depressie of één gen voor schizofrenie. Het blijven zoeken naar kandidaat-genen, zonder de gen-omgevingsinteracties hierbij mee te nemen, lijkt dan ook een doodlopende weg (428 429). Rutter (537) formuleert dat als volgt: ‘Genetic influences, as they apply to individual differences in the liability to show particular behaviors, are strong and pervasive, but rarely determinative.' En datzelfde geldt voor de impact van omgevingsfactoren. Ook psychosociale stressfactoren, zoals bijvoorbeeld allerlei vormen van vroege traumatisering, oefenen hun effect uit op de hersenen, door tussenkomst van genen. Gen-omgevingsonderzoeken zowel van antisociaal gedrag (448) als van depressies (330) laten zien dat de impact van louter de genen of louter de omgeving bescheiden is, maar dat de invloed van G×E-interacties groot kan zijn op het ontstaan van psychopathologie.
Een voorbeeld: in een adoptieonderzoek bleken kinderen van ouders met drugsproblemen of met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, wanneer geplaatst bij de adoptieouders, meer vijandigheid en antisociaal gedrag te vertonen dan adoptiekinderen van biologische ouders zonder deze problemen (231). Op hun beurt vertonen adoptieouders ten opzichte van kinderen met antisociaal gedrag veel negatiever opvoedingsgedrag. Dit onderzoek laat zien dat een bepaalde genetische dispositie een complementaire reactie kan oproepen bij de omgeving van dat kind. Een ander voorbeeld: in het Scandinavische adoptieonderzoek van Bohman (76) werden drie groepen onderscheiden. Kinderen bij wie sprake was van geen genetisch risico en ook geen psychosociale stress, hadden een kans van 3% op het ontwikkelen van crimineel gedrag. Als er sprake was van één risicofactor steeg deze kans naar 6-12%, terwijl de kans dat kinderen met zowel een genetisch risico (gekenmerkt door crimineel gedrag en alcoholisme bij een of beide biologische ouders) als een omgevingsrisico (ernstige opvoedingsproblemen) op volwassen leeftijd crimineel gedrag gaan vertonen 40% bedroeg!
Ervan uitgaande dat de omgeving in staat is genen uit en aan te zetten, ‘to turn genes on and off' (Pray, 2004), dringt de vraag zich op welke omgeving beschermend werkt bij genetisch kwetsbare individuen en welke omgevingsfactoren het risico op de ontwikkeling van psychopathologie juist groter maken. Uit dieronderzoek is gebleken dat de kwaliteit van de moederlijke/ouderlijke zorg een belangrijke beschermende invloed kan uitoefenen en zelfs in staat is de genetische predispositie om te keren. We verwijzen naar onderzoek van de groepen van Meaney (428 429) en van Suomi (602). Moffitt (448) zegt hierover het volgende: ‘de aanname dat de genfunctie een uitkomstvariabele is, en dus niet een vaststaand gegeven, betekent een paradigmawijziging in de manier waarop we als gedragswetenschappers tegen genen aankijken. Deze wijziging van paradigma biedt tegelijkertijd een mogelijkheid voor toekomstig onderzoek naar gen-omgevingsinteracties'.
Het beloop van persoonlijkheidsstoornissen
Tot voor kort was vrijwel iedere professional in de gezondheidszorg die te maken kreeg met persoonlijkheidsstoornissen ervan overtuigd dat het om stabiele en persistente condities ging, in ieder geval vanaf de adolescentie tot ver in de volwassenheid. Dit denken heeft een lange geschiedenis, maar wordt recentelijk vooral in de hand gewerkt door classificatiesystemen zoals de DSM-IV (14), die persoonlijkheidsstoornissen definiëren als duurzame patronen van innerlijke ervaringen en gedragingen die stabiel en van lange duur zijn en waarvan het begin kan worden teruggevoerd naar op zijn minst de adolescentie of de vroege volwassenheid.
Op basis van deze definities van persoonlijkheidsstoornissen, maar ook op basis van klinische ervaringen, heeft in de loop der tijd bij velen een ongebreideld klinisch pessimisme ten aanzien van de prognose bij patiënten met persoonlijkheidsstoornissen postgevat. Aan de instandhouding van dit pessimisme werken twee perceptuele gedachten mee. Ten eerste is de breed verspreide waarneming dat de meeste persoonlijkheidsstoornissen hardnekkig en onbehandelbaar zijn, het resultaat van een vertekende perceptie bij de clinicus: de tendens om de chroniciteit van condities te overschatten als gevolg van selectieve omgang met ernstige patiënten die frequent terugvallen (134). In de tweede plaats is er waarschijnlijk sprake van twee gerelateerde self-fulfilling prophecies. Uit een in 1988 gepubliceerd onderzoek blijkt dat psychiaters afkeurende en afwijzende attitudes hadden jegens mensen met een borderlinepersoonlijkheidsstoornis (384). Voor zover deze negatieve attitudes nog bestaan, is het niet ondenkbaar dat deze leiden tot klinisch pessimisme, waardoor de patiënt een adequate behandeling wordt onthouden en waardoor uiteindelijk de ongunstige prognose werkelijkheid wordt (self-fulfilling prophecy 1). Doordat de behandelaar zijn pessimistische grondhouding overdraagt op de patiënt, zal deze geen pogingen ondernemen om te veranderen, waardoor eveneens de ongunstige prognose werkelijkheid wordt (self-fulfilling prophecy 2). Ten slotte geldt dat in het verleden is geobserveerd dat sommige hulpverleners een persoonlijkheidsdiagnose pas overwegen als een patiënt onvoldoende therapietrouw toont, zich verzet tegen verandering of als een behandeling stagneert (624). Met de diagnose persoonlijkheidsstoornis komt de verantwoordelijkheid voor het falen van de behandeling dan - vaak ten onrechte - uitsluitend bij de patiënt te liggen. Deze mechanismen houden ideeën omtrent de onveranderbaarheid van persoonlijkheidspathologie in stand.
Het klinisch pessimisme vierde zijn hoogtijdagen in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw, om pas in de jaren negentig enigszins af te nemen. Mede onder invloed van een gestaag groeiend aantal predictieonderzoeken bij As-I-stoornissen, psychotherapieonderzoeken en natuurlijkbelooponderzoeken is de laatste jaren duidelijk sprake van een kentering in het onveranderbaarheidsdenken. De bevindingen uit diverse longitudinale onderzoeken naar het beloop van persoonlijkheidsstoornissen leiden tot de conclusie dat er sprake is van een zekere mate van natuurlijk herstel (630). Zo rapporteren bijvoorbeeld Cohen e.a. (135) weliswaar betrekkelijk grote individuele (rangorde)stabiliteit van persoonlijkheidsstoornissymptomen gedurende de adolescentie en volwassenheid, maar ook een duidelijke en lineair verlopende afname van persoonlijkheidspathologie tussen 9- en 27-jarige leeftijd. De geobserveerde afname met het verstrijken van de leeftijd geldt voor cluster-A-, cluster-B- en cluster-C-persoonlijkheidsstoornissen (313). Deze bevindingen sluiten naadloos aan bij de longitudinale onderzoeken naar normale persoonlijkheidstrekken die over dezelfde leeftijdsperiode een afname rapporteren van trekken als impulsiviteit, sensatiebehoefte en afhankelijkheid (387). Op basis van een meta-analyse werd geconcludeerd dat bij de borderlinepersoonlijkheidsstoornis sprake is van geleidelijk herstel, ook zonder behandeling. Per jaar verloor ongeveer 4% de diagnose; na tien jaar was ongeveer de helft hersteld (496). Ook deze bevinding sluit naadloos aan bij de longitudinale onderzoeken naar normale persoonlijkheidstrekken: met het ouder worden nemen emotionele stabiliteit en consciëntieusheid toe (527). Het natuurlijk beloop van persoonlijkheidsstoornissen wordt dus gekenmerkt door een zekere mate van natuurlijk herstel. Dit natuurlijk herstel lijkt aanmerkelijk te kunnen worden versneld door behandeling. In een meta-analyse vonden Perry e.a. (497) bij een therapie van twintig zittingen 25% herstel, bij negentig zittingen 50% herstel, en bij tweehonderd zittingen zelfs 75% herstel. In tijd uitgezet liggen deze percentages ongeveer zeven tot acht keer zo hoog in vergelijking tot het natuurlijk herstel bij mensen met een borderlinepersoonlijkheidsstoornis (496).
Een kritische kanttekening bij de behandelonderzoeken is dat deze zich voornamelijk toespitsen op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis, de ontwijkende, afhankelijke en de Niet Anderszins Omschreven persoonlijkheidsstoornis en in mindere mate ook op de paranoïde, obsessieve compulsieve en schizotypische persoonlijkheidsstoornis. In de onderzoeken behoorden patiënten met een schizoïde, antisociale, narcistische of theatrale persoonlijkheidsstoornis tot de uitzonderingen, zodat de gunstige uitkomsten niet representatief zijn voor die groepen. Het is dus mogelijk dat persoonlijkheidsverandering op latere leeftijd niet voor iedereen geldt. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat dat lange tijd ook gold voor persoonlijkheidsstoornissen die later wél behandelbaar bleken, zoals de borderlinepersoonlijkheidsstoornis. De enige juiste implicatie is daarom dat de zoektocht naar effectieve en doelmatige behandelingen voor persoonlijkheidsstoornissen nog niet voorbij is. In dit kader stemmen de eerste resultaten van dialectische gedragstherapie bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis tot optimisme (422).
Leeswijzer voor de richtlijn
In de nu volgende hoofdstukken worden, aan de hand van uitgangsvragen en op grond van de daarbij gezochte evidence, het professionele inzicht, en de ervaringsdeskundigheid van patiënten, aanbevelingen geformuleerd.
De richtlijn bestaat grofweg uit zes delen:
- Patiënten- en familieperspectief: het hoofdstuk over het patiënten- en familieperspectief is geschreven door de patiënten- en familievertegenwoordigers die participeerden in de werkgroep. In dit hoofdstuk komt diagnostiek, behandeling en bejegening aan de orde.
-
Diagnostiek en indicatiestelling: in het hoofdstuk over diagnostiek en indicatiestelling ligt de nadruk op de diagnostiek van DSM-IV-persoonlijkheidsstoornissen.
-
-
Comorbiditeit: persoonlijkheidsstoornissen komen veelvuldig voor naast andere psychiatrische aandoeningen. Voorbeelden zijn: angst- en stemmingsstoornissen, eetstoornissen zoals bulimia nervosa of anorexia nervosa, en alcohol- of drugsverslaving. In het hoofdstuk worden de meest voorkomende vormen van
comorbiditeit behandeld, in het bijzonder de vraag in hoeverre de aanwezigheid van persoonlijkheidsstoornissen een negatieve impact heeft op de behandeling van As-I-stoornissen en de vraag naar de klinische implicaties van comorbiditeit
-
-
Organisatie van zorg: de organisatie van zorg rondom persoonlijkheidsstoornissen is complex. Het hoofdstuk beschrijft de verschillende taken, verantwoordelijkheden en uitdagingen waarvoor de respectieve echelons in de gezondheidszorg zich gesteld zien.