Deze richtlijn straalt het nodige behandeloptimisme uit. Zo wordt in paragraaf 4.5 bijvoorbeeld de volgende aanbeveling gegeven: ‘De werkgroep is van mening dat hulpverleners terughoudend dienen om te gaan met het gebruik van "contra-indicaties" voor de (psychotherapeutische) behandeling van persoonlijkheidsstoornissen, juist nu we een trend zien in de richting van de ontwikkeling van behandelprogramma's voor welke geen of slechts weinig van deze contra-indicaties nog gelden.' Dit is gerechtvaardigd op basis van het beschikbare wetenschappelijke bewijs voor de werkzaamheid van met name psychotherapeutische behandelvormen. Dit optimisme staat in scherpe tegenstelling tot het pessimisme dat we in de klinische praktijk nog zo vaak tegenkomen. De inhoud van deze richtlijn staat aldus op gespannen voet met het vaak hardnekkige geloof in de vermeende onveranderbaarheid en onbehandelbaarheid van persoonlijkheidsstoornissen.
Het optimisme, voor zover dit wordt gedragen door het beschikbare empirische bewijs, is juist ook belangrijk omdat het denken in de praktijk vaak geheel tegenovergesteld is en de ggz ook nog niet dienovereenkomstig is ingericht. De behandelcapaciteit voor persoonlijkheidsstoornissen in de tweede en derde lijn is dikwijls erg beperkt, en daarom is het niet zelden lastig om patiënten vanuit de eerste lijn op een goede manier te verwijzen. Maar hierbij is het van belang om te begrijpen dat een richtlijn niet meer en niet minder is dan een overzicht van de wetenschappelijke evidentie en geen beeld geeft van de huidige inrichting van de zorg. Hiertoe zal de richtlijn eerst geïmplementeerd moeten worden.
Dit hoofdstuk beoogt bij de implementatie van de richtlijn van waarde te zijn, onder andere door een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden in de verschillende echelons van de gezondheidszorg.
Uitgangsvragen
Welke rol hebben de verschillende echelons in de gezondheidszorg voor wat betreft de diagnostiek en behandeling van persoonlijkheidsstoornissen?
Wat zijn de aandachtspunten voor de implementatie van deze richtlijn?
Keuze en verantwoording van de literatuur
Voor dit hoofdstuk is geen systematisch literatuuronderzoek verricht. De belangrijkste reden hiervoor is dat er weinig empirisch onderzoek naar het onderwerp gedaan is. Het hoofdstuk is tot stand gekomen op basis van consensusvorming in de werkgroep, aangevuld met enkele relevante literatuurreferenties.
GGZrichtlijnen.nl is een uitgave van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ en het Trimbos-instituut
Copyright 2010 GGZ-richtlijnen.nl ggzrichtlijnen@trimbos.nl